zaterdag 25 april 2015

MOOC: Ontwikkelingsgericht leren en toetsen

In de laatste video van de eerste week van de MOOC Assessment and Teaching of 21st Century Skills staan professoren Patrick Griffin en Esther Care stil bij ontwikkelingsgericht leren en toetsen.

Care stelt dat 21st century skills pas bruikbaar zijn in het onderwijs, als ze in ontwikkelingstermen worden gedefinieerd, net als andere lesdoelen. Dan kan de leerkracht bepalen waar de leerling zich bevindt en gericht kiezen voor instructies en/of interventies die aansluiten bij de leerling.


Lev Vygotsky
De aanpak van ontwikkelingsgericht leren en toetsen is grotendeels gebaseerd op theorieën en onderzoek van drie geleerden: de Russische psycholoog Lev Vygotsky, de Amerikaanse cognitieve psycholoog Robert Glaser en de Deense wiskundige Georg Rasch.

Lev Vygotsky (1896 - 1934)

Vygotsky schreef uitgebreid over onderwijs, maar zijn werk is pas vanaf 1978 vanuit het Russisch vertaald. Vygotsky herkende het belang van onderwijs. Hij stelde dat leerlingen het beste leren van een ander persoon, bij voorkeur van een volwassene of een vergevorderde medeleerling. Hij is geen voorstander van leerlingen die louter zelfstandig hun gang gaan. Én Vygotsky benadrukte het idee dat sociale interactie een fundamentele rol speelt bij cognitieontwikkeling, iets dat elke leerkracht instinctief weet...

Vygotsky is waarschijnlijk het meest bekend door zijn baanbrekende theorieën van scafollding en de zone van de naaste ontwikkeling. De zone van de naaste ontwikkeling is het gebied dat tussen het huidige ontwikkelingsniveau en het potentiële ontwikkelingsniveau van een leerling ligt. Wanneer deze leerling in deze zone samenwerkt met een meer bekwame medeleerling of leerkracht lukt het hem om iets te doen wat hij eerst niet kon en wat hij daarna wel zelfstandig beheerst.

Patrick Griffin legt de zone van de naaste ontwikkeling uit

Vygotsky maakte duidelijk dat iedere leerling uniek is en dat datgene wat iemand zelfstandig kan en datgene waarbij externe hulp nodig is, verschilt per leerling. Zelfs binnen een homogene groep, zoals ons jaarklassensysteem. Voor leerkrachten is het  ontzettend belangrijk om zicht te hebben op het huidige ontwikkelingsniveau en het potentiële ontwikkelingsniveau. Volgens Vygotsky is het voor leerkrachten alleen mogelijk om succesvol te onderwijzen als je weet wat een leerling net een beetje begint te begrijpen, zodat je die opkomende vaardigheden kunt voeden. In andere woorden, als leerkracht moeten jouw interventies voor elke leerling in de zone van de naaste ontwikkeling plaatsvinden.


Robert Glaser
Glaser was een Amerikaanse cognitieve psycholoog. Hij heeft onderzoek gedaan naar individuele verschillen in aanleg, de rol van toetsing en technologie in het onderwijs. Daarnaast introduceerde hij het idee van persoonlijke instructie op maat. Glaser beschreef een theoretisch model om toetsinformatie te interpreteren, namelijk middels criterium-gebaseerde toetsen.

Robert Glaser (1921 - 2012)

Bij criterium-gebaseerde toetsen gaat Glaser er van uit dat er een beheersingsschaal is op het gebied van kennis en vaardigheden. Deze schaal loopt van een lage naar een hoge beheersingsgraad. De meeste moderne curricula erkennen dat leerlingen dezelfde vaardigheden en kennis gedurende een langere periode ontwikkelen, helemaal wanneer ze hiervoor interesse hebben. Deze schaal waarop een progressie geconstateerd kan worden, is voor de meeste leerkrachten dus een bekend verhaal.

Esther Care legt het principe van criterium-gebaseerde toetsen uit.

Glaser gebruikte dit model op het gebied van toetsing. Hij stelde dat de leerkracht idealiter weet waar de leerling zich op de schaal bevindt, zodat hij de voortgang kan monitoren. De leerkracht vergelijkt de vaardigheid van de leerling met vooraf vastgestelde criteria die langs de schaal oplopen in moeilijkheidsgraad.

Toetsinformatie van criterium-gebaseerde toetsen beschrijft de mate van beheersing die de leerling demonstreert én beschrijft de ontwikkeling op basis van de verschillende stadia van toenemende beheersingsgraad.

Deze wijze van toetsinterpretatie staat tegenover norm-gebaseerde toetsen, waarbij de beheersing van de leerling alleen wordt vergeleken met medeleerlingen, bijvoorbeeld met resultaten als gemiddeld of bovengemiddeld. In andere woorden, hierbij wordt de prestatie an sich niet beschreven, maar alleen de prestatie in relatie tot anderen. Het geeft leerkrachten daarmee geen handvatten om te weten wat deze leerling nu als logische vervolgstap moet doen.

Het is bij criterium-gebaseerde toetsen belangrijk om te weten wat Glaser bedoelde met verschillende stadia van beheersingsgraad. Deze zijn gebaseerd op zichtbare/meetbare gedragsindicatoren. De stadia van beheersingsgraad op de schaal kunnen geclusterd worden tot duidelijk onderscheidbare ontwikkelingsniveaus, overeenkomstig Vygotsky's zone van de naaste ontwikkeling!


Georg Rasch
De Deense wiskundige Rasch is het meest bekend om zijn werk in de psychometrie, een specialisatie op het gebied van educatieve en psychologische metingen. Zijn speerpunt was om sociaal wetenschappelijk onderzoek net zo valide en betrouwbaar te laten zijn als natuurwetenschappelijk onderzoek.

Georg Rasch (1901 - 1980)

Rasch' werk helpt bij het kunnen meten van kennis, vaardigheden en attitudes. Rasch ontwikkelde een praktische toepassing, genaamd latent trait theory. Waar het op neerkomt is dat Rasch er in slaagde om de moeilijkheid van een taak en de bekwaamheid van een leerling op dezelfde grafiek te plotten. Met behulp van specifieke software is het mogelijk om leerlingresultaten te analyseren en op basis hiervan hun bekwaamheid te berekenen. Waar de leerlingbekwaamheid en de taakmoeilijkheid elkaar raken in de grafiek is de kans dat de leerling de taak succesvol kan uitvoeren 50%. Met behulp van dit model kan de zone van de naaste ontwikkeling uitgerekend worden!

Hieronder staat een voorbeeld van toetsresultaten schematisch weergegeven in een zogenaamde variabelenkaart.


Toelichting op de variabelenkaart:

  • Aan de linkerzijde staan de individuele leerlingen (pupils) uit de klas weergegeven door een X. 
  • De verticale pijl loopt van een hoge bekwaamheid (bovenin) naar lage bekwaamheid (onderin). 
  • In het midden staan de afzonderlijke vragen uit de toets (items). De hele toets bestaat dus uit 30 vragen.
  • Rechts staat de interpretatie van bekwaamheid, waarbij de toetsvragen geclusterd zijn tot een bepaald niveau. Zo hebben vraag 1 t/m 6 betrekking op het laagste niveau (level 1) en vraag 28, 29 en 30 betrekking op het hoogste niveau (level 5).
De verticale pijl kan als een soort spiegel gezien worden. Bijvoorbeeld, leerlingen die aan de linkerzijde van vraag 21 t/m 27 staan, zijn net zo bekwaam als dat de vragen 21 t/m 27 moeilijk zijn. Dat betekent dus dat deze leerlingen een kans van 50% hebben om deze vragen goed te beantwoorden.

Dit houdt dus in dat je voor verschillende groepen leerlingen op hun niveau de zone van de naaste ontwikkeling kunt bepalen. Voor leerkrachten betekent dit dat je per groep leerlingen op een andere manier zou moeten onderwijzen of interveniëren.


Samenkomen van theorieën
Hier komen dan de theorieën van de drie geleerden samen: de variabelenkaart van Rasch, de oplopende stadia van bekwaamheid van Glaser en het uitgangspunt van Vygotsky dat iedere leerling op zijn eigen niveau onderwezen moet worden.

Het is opvallend om te zien hoe het werk van deze drie geleerden elkaar consistent aanvullen, ook al leefden ze in verschillende tijdsperioden, in verschillende landen en met verschillende expertises.

Hun werk helpt ons om te begrijpen hoe toetsing kan helpen bij het onderwijzen. Goede toetsing zou moeten bestaan uit grotere hoeveelheid aan toetstaken en toetscriteria, allen geclusterd in verschillende niveaus van bekwaamheid. Deze clusters van criteria stelt leerkrachten in staat om de zone van de naaste ontwikkeling per leerling te bepalen.


Scaffolding
Bovenstaande theorieën maken het mogelijk om te bepalen welke interventie gewenst is om er voor te zorgen dat leerlingen doorgroeien naar een hoger bekwaamheidsniveau. Dit proces, scaffolding, gaat om het consolideren van het bekwaamheidsniveau waarop een leerling zich bevindt, het bepalen van de zone van de naaste ontwikkeling en concrete doelen bepalen om het volgende niveau te bepalen.

Voor leerkrachten is het wel een enorme uitdaging om de juiste interventie op het juiste moment en op het juiste niveau uit te voeren. Het is essentieel dat leerkrachten leren om de beginsituatie te bepalen en voortgang te monitoren. Dit is de kern van formatief toetsen. Het koppelt onderwijzen aan toetsen.

In deze MOOC gaan Griffin en Care verder in op hoe je dit kunt toepassen bij 21st century skills. Ze zullen leerlingontwikkeling uitwerken in waarneembaar gedrag, waarbij het mogelijk is om aan te geven wanneer leerkrachten welke interventie kunnen doen. Om het onderwijzen van de 21st century skills te toetsen gaan Griffin en Care dus volledig uit van een ontwikkelingsgerichte aanpak. 



Conclusie
Deze eerste week was behalve een introductie op het onderwerp ook een flinke verdieping op het gebied van theoretische modellen en diverse leertheorieën. Het geeft mij wel een helder beeld van de kaders van deze MOOC. Tot nu toe lukt het goed om de gemaakte keuzes te volgen en kan ik me aardig vinden in de bevindingen van Griffin en Care.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen