dinsdag 9 februari 2016

Maar niemand weet hoe God er uit ziet!


Vorige week is het tweede semester begonnen. Dat houdt onder andere in dat de eerstejaars studenten wisselen van stageschool en -groep. Het eerste semester liepen deze studenten stage in de bovenbouw (groep 5 t/m 8) en nu in de onderbouw (groep 1 t/m 4). Sommige studenten zijn daar erg blij mee, maar er zijn ook velen die het bij deze jonge kinderen minder leuk vinden. Vooral de jongens hoopten in elk geval op een stage in groep 3 of 4 en niet bij de kleuters. "Dan kunnen ze tenminste nog iets…”

Eigenlijk verbaast deze opinie mij niet zozeer. Toen ik eerstejaars student was, dacht ik er eerlijk gezegd net zo over. Maar ondertussen draai ik al wat langer mee in het onderwijs en bovendien heb ik thuis twee jonge kinderen rondlopen. Ik heb de waarde leren kennen van het vrij kunnen spelen, het onbevangene, het gedreutel en gedraai, de oprechtheid, de eerlijkheid. Leven zonder masker.

En, niet onbelangrijk, ik heb van dichtbij ervaren hoe kinderen zich ontwikkelen. In elk geval bij mijn eigen zoon (6) en dochter (bijna 4). Eerstejaars studenten denken af en toe dat kinderen op magische wijze in groep 4 allerlei dingen zomaar ineens kunnen. Puur omdat ze dan een jaar of 8 zijn. Het besef dat elk kind een eigen unieke ontwikkeling moet doorlopen, is er niet altijd. Noch dat oudere kinderen “tenminste iets kunnen” omdat ze dat in de jaren daarvoor geleerd hebben…

Maar goed, het is voor mij weer belangrijk om te beseffen dat dit ook een ontwikkeling is die studenten zelf moeten doormaken op de Pabo. Het zorgt in elk geval voor interessante gesprekken en discussies in de werkcolleges!

Zo gaf ik afgelopen week een les over Muziek en ICT bij jonge kinderen. Als activiteit om de voorkennis te activeren, had ik een variant van TPACK the game gemaakt. Hieronder kun je deze als PDF downloaden.

Studenten kregen in tweetallen een enveloppe met daarin een aantal kaartjes. Vijf blauwe kaartjes (vakinhoud) met daarop de vijf domeinen van muziek, namelijk een lied zingen, muziek spelen, muziek schrijven en noteren, muziek luisteren en bewegen op muziek.

Zeven gele kaartjes met daarop diverse werkvormen (didactiek), zoals instructie, demonstratie, interactie, opdrachten en spel. En tien roze kaartjes met daarop allerlei technologieën, zoals een microfoon, digibord, videocamera, apps, podcast, tekenprogramma, etc.

De bedoeling van deze activiteit was om de studenten betekenisvolle activiteiten te laten bedenken op het gebied van muziekonderwijs voor jonge kinderen. Ze moesten altijd beginnen met het kiezen van een vakinhoud (blauw) en daarbij een passende didactiek te selecteren (geel). Tot slot zochten ze daar een versterkende technologie (roze) bij.

Het is een fijne werkvorm. Alle studenten gingen serieus aan de slag en kwamen met aardige activiteiten, zoals leerlingen het geluid van instrumenten laten opnemen om er in de klas een quiz mee te spelen. Of leerlingen maken een eigen dansinstructievideo in de trant van Just Dance.


Eén bedachte activiteit zorgde voor een interessant gesprek. Twee studenten wilden kleuters op het digibord een grafische partituur laten tekenen in digibordsoftware. Een grafische partituur is een soort grafische representatie van muziek (lees meer…).

Dat idee lokte de reactie van andere studenten uit dat kleuters nog helemaal geen grafische partituur kunnen maken. Die krassen maar wat… Waarop iemand aangaf: “Waarom moeten ze alleen dingen doen die ze al kunnen?” Immers, moet het een perfecte verantwoorde partituur zijn? Of wil je dat kleuters op hun eigen niveau bezig zijn en leren hoe ze zich expressief kunnen uiten door middel van muziek?

Deze discussie is voor mij heel herkenbaar. Ik heb geleerd dat het goed is dat iedereen “het goed doet”. Volgens de norm. Of in elk geval volgens wat ik zelf ken en weet. Een antwoord is goed of fout. Maar is niet het denkproces erachter veel interessanter?

Ik moest ook denken aan een anekdote die Ken Robinson eens vertelde in één van zijn TED talks.

Een meisje (4) is aan het tekenen. De juf vraagt wat ze maakt.
“Ik maak een tekening van God,” zegt het meisje.
“Maar niemand weet hoe God er uit ziet!” roept de juf.
“Straks wel,” antwoordt het meisje.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen