woensdag 16 september 2015

MOOC: Innovatie implementeren

In de vierde week van de MOOC: Blended Learning kijken Brian Greenberg, Michael Horn en Rob Schwarz naar hoe je innovatie, zoals blended learning, implementeert.

Aanpassen of opnieuw beginnen?
Greenberg en Horn beginnen met het uitgangspunt dat veel bestaande organisaties waarschijnlijk meer moeite hebben met het omschakelen naar blended learning dan als je vanuit het niets begint. Binnen een bestaande organisatie heerst een bepaalde cultuur, bepaalde verwachtingen, routines, prioriteiten en een bepaalde manier van werken. Daarnaast zijn zittende leerlingen en ouders ook moeilijker mee te krijgen in een grote verandering. Het implementeren van een totaal nieuw onderwijsconcept loopt op bestaande scholen dus makkelijker tegen allerlei beperkingen aan, dan wanneer je helemaal fris met iets nieuws begint.

Als je helemaal vanaf nul begint, heb je meer controle over welke collega's mee doen en welke tijdsplanning je aanhoudt. Vaak is een nieuwe school ook kleiner qua schaal (zowel leerlingen als leerkrachten) waardoor dingen flexibeler zijn en sneller aan te passen. 


Sleutelvragen voor innovatie implementatie
Hoe ideaal het ook lijkt om alleen maar nieuwe scholen te bouwen, de realiteit is nu eenmaal dat vrijwel alle kinderen op bestaande scholen zitten. Het is onmogelijk om wereldwijd miljoenen nieuwe scholen te bouwen. Bovendien is er in de huidige scholen een enorm kapitaal aan kennis, expertise, materialen, gebouwen, etc. Wanneer je een bestaande school wil ombouwen tot een heel nieuw onderwijskundig model (blended learning), beantwoord dan de volgende vragen:
  1. Wie wil je betrokken hebben en op welke manier?
  2. Hoe krijg je draagvlak?
  3. Hoe zorg je dat het personeel in staat is de nieuwe school te creëren?
  4. Hoe ga je om met weerstand?
Ad 1. Wie wil je betrokken hebben en op welke manier?
De grootte van innovatie die je wil implementeren, bepaalt welk team hierbij betrokken zou moeten zijn. Als je binnen een school een verandering wil implementeren binnen een groep of klaslokaal, dan heb je een functioneel team nodig. Dit functionele team bestaat uit actoren die zich bezig houden met het betreffende leerjaar of klaslokaal (wegens specifieke en relevante expertise). Meestal is dit één leerkracht of een paar gelijkgezinde leerkrachten. Ze hoeven zich niet bezig te houden met veranderingen buiten hun context. Bijvoorbeeld een onderbouw, middenbouw en bovenbouw team. Maar het kan ook een taal, rekenen-wiskunde en zaakvakken team zijn... Bij flipping the classroom of het implementeren van een rotatiemodel is een functioneel team eigenlijk alles wat je nodig hebt.

Als je de verandering buiten dat ene klaslokaal wil bewerkstelligen, en dus een groter deel van de school erbij wil betrekken, dan heb je een zogenaamd lichtgewicht team nodig. Nog steeds vormen leerkrachten de kern van het team, maar wel vanuit meerdere losse groepen. Het is nu dan ook noodzakelijk om een coördinator aan te stellen om de verschillende partijen bijeen te brengen en hun verlangens met elkaar af te stemmen. Bijvoorbeeld bij het gebruik van een gezamenlijk computerlokaal. Dan moet duidelijk afgestemd worden wie wanneer toegang heeft tot deze ruimte. 

Als je binnen de gehele school verandering wil implementeren, dan is een zwaargewicht team nodig. Hierbij betrek je zoveel mogelijk werknemers van de school en vraag je hen om hun expertise te delen, maar zich niet louter te focussen op hun eigen specifieke context. Bij een zwaargewicht team is één leider nodig die uiteindelijk de beslissingen neemt die gelden voor de gehele school. Let op: hierbij gaat het echt om het compleet herontwerpen van het didactisch concept van de school. Hierbij is meer expertise nodig dan louter het leerkrachtenteam. Wil je echt high quality blended learning implementeren, dan is meestal ook externe expertise noodzakelijk. Pak het grondig en goed aan, dan is de kans op succes groter.

Echter, kies wel het juiste team voor de juiste verandering. Als je bij iets laagdrempeligs als flipping the classroom een zwaargewicht team inzet, dan wordt het een traag en zwaar proces. 

Ad 2. Hoe krijg je draagvlak?
Het is aan te raden om te beginnen met die leerkrachten die enthousiast zijn over innovatie en nieuwe onderwijsconcepten. Zij willen graag meedenken, -helpen en uitproberen. Wanneer dit voor enkele succeservaringen zorgt, dan kan de olievlek zich uitspreiden over andere collega's die wellicht wat sceptisch zijn. Deze strategie werkt vaak beter dan van bovenaf opleggen. 

Ad 3. Hoe zorg je dat het personeel in staat is de nieuwe school te creëren?
Als je een innovatie wil bewerkstelligen, dan is het aan te raden om dit regelmatig terug te laten komen bij het personeel. Anders krijg je waarschijnlijk niet de uitkomst die je vooraf had gehoopt. Leerkrachten hebben het al druk genoeg, dus je moet het niet zomaar als extraatje bovenop de werklast gooien. 

Probeer structureel tijd vrij te roosteren om met elkaar over de innovatie te praten en te ontwikkelen. Zorg dat collega's elkaar kunnen treffen en tijd hebben om gezamenlijk aan de slag te gaan. Als leerkrachten hier regelmatig aan kunnen werken, dan wordt het een mindset om innovatief te werk te gaan. Het wordt als het ware onderdeel van hun standaard gereedschapskist om te werken aan gepersonaliseerd onderwijs. 

Ad 4. Hoe ga je om met de weerstand?
Stel dat je alles goed doet en je hebt enkele voorlopers die succeservaringen hebben gehad. Hoe ga je dan om met collega's die weerstand uiten tegen het innovatieproces? Het is belangrijk om hen voldoende aandacht te geven om er voor te zorgen dat ze mee gaan in de beweging. Dat doe je in eerste instantie door hen heel helder te informeren over de koers en de verwachtingen. Als je in staat bent om jouw visie goed over te brengen, dan willen de meeste mensen daar in mee gaan. De volgende stap is echter hoe die visie praktisch bereikt wordt. Daar gaat het vaak over angst voor het onbekende. Door heel nauw met die mensen samen te werken en alle kanten te bekijken en gezamenlijk uit te proberen, kun je de meeste angsten vaak wel wegnemen.


Hoe begin je nu?
Het begint met een gesprek. Vaak met meerdere betrokken personen. Deze stap in het ontwerpen van een nieuwe school is essentieel. Geef de ruimte aan betrokkenen om na te denken over wat hun ideaal beeld is en dit te toetsen aan ideeën van anderen. Dit kan een dagdeel zijn, een hele week of uitgespreid over meerdere maanden. Maar gesprek en het uitwisselen van beelden is essentieel.

Mocht je in een bestaande school beginnen, dan is het ook nog een optie om te starten met gebieden die nog behoorlijk ontgonnen zijn. Misschien zijn er onderdelen van het curriculum of tijdsperiodes in het schooljaar die nog niet zo uitgekristalliseerd zijn of doorontwikkeld. Dat zijn mooie kansen om na te denken over nieuwe werkvormen en een rijke blended leeromgeving. Het is direct ook een veiligere manier om iets nieuws uit te proberen, voordat het schoolbreed gedurende het hele jaar wordt geïmplementeerd.


Budget
Een heel basale vraag bij het implementeren van innovatie is hoe je het gaat betalen. Kun je het wel veroorloven? Bij het specifiek implementeren van blended learning gaat het om meer dan eenmalig wat extra budget besteden aan een berg technologie, maar om een langdurige herstructurering van het hele onderwijs. Dat maakt het intensiever, maar ook duurzamer en houdbaar op de lange termijn.

Greenberg en Horn gaan niet ontzettend de diepte in met ingewikkelde budgettaire overzichten, maar ze willen wel een overzicht geven waar je aan moet denken op het gebied van investering en besparing. Ze beginnen met het uiteenzetten van één klaslokaal en breiden dat uit tot op schoolniveau.

Het bepalen van het budget is een complexe exercitie. Er zijn talloze variabelen die meespelen en invloed uitoefenen. Aan de hand van enkele concrete voorbeelden hopen Greenberg en Horn het proces enigszins inzichtelijk te maken.

Een belangrijk aandachtspunt is dat je nooit moet overstappen naar blended learning puur om kosten te besparen. Het is een onderwijskundig model om beter leerrendement uit elke individuele leerling te halen.

Budget op klasniveau
Het meest laagdrempelig is om te beginnen in één klas met één leerkracht. Wanneer je dat doet heb je met drie variabelen te maken:
  1. De hardware (hoeveel computers je wil hebben en welk type);
  2. De software (welk digitaal leermateriaal wil je gebruiken);
  3. De infrastructuur (voldoende stroom, wifi, koptelefoons, randapparatuur, etc.).
De keuzes die je maakt zijn ook afhankelijk van het onderwijskundig model dat je hanteert. Bij een flexibel model kunnen leerlingen op eigen niveau continu doorwerken. Dan heb je per leerling een computer nodig. Met een rotatiemodel (met bijvoorbeeld drie stations) hoef je slechts voor een derde van de leerlingen een computer beschikbaar hebben.

Daarnaast zijn er initiële kosten en lopende kosten. De initiële kosten zijn bijvoorbeeld de aanschafkosten van de hardware, software en infrastructuur. De lopende kosten zijn de onderhoudskosten, maar ook de afschrijving en eventuele abonnementsvormen van software. 

Tegenover de kosten staan de baten. Misschien heb je hier weinig controle over dit aspect, maar het is wel belangrijk om de kosten en baten zoveel mogelijk in balans te hebben. Op het gebied van kostenbesparing (of baten) kun je aan twee dingen denken:
  1. Meer leerlingen per klas. Een (Amerikaans) voorbeeld om dit te illustreren (ik ben onvoldoende op de hoogte hoe dit in Nederland werkt...). Een basisschool hanteert een 27:1 ratio in een klas. Met 28 leerlingen komt er $ 7.000 extra beschikbaar, daar kun je al enige technologie voor aanschaffen. Met 29 leerlingen komt er $ 14.000 beschikbaar, waarmee je alle benodigde middelen kunt kopen. Dus 29 leerlingen met alle technologie die je wil in een nieuw onderwijskundig model, of 27 leerlingen en helemaal geen verandering en/of technologie.
  2. Instructiemateriaal. Steeds meer leermateriaal komt gratis online beschikbaar. Dit geldt voor mij zeker voor de Engelstalige markt, maar ook in Nederland komt meer en meer rijk digitaal leermateriaal. Door dit materiaal meer en meer te gebruiken, kun je (dure) lesmethodes meer en meer loslaten.
Budget op schoolniveau
Op schoolniveau heb je vrijwel dezelfde kostenposten als op klasniveau, maar natuurlijk op een grotere schaal. Op schoolniveau komen er ook nog de variabelen personeel, ruimtes en meubilair bij. Greenberg en Horn zoomen deze week in op personeel en kijken volgende week naar de fysieke ruimtes en meubilair.

Als je nadenkt over personeel, dan moet je rekeningen houden met hoeveel personeel je nodig hebt, welke leerling-leerkracht ratio je hanteert en wat het salaris is. Dit wordt uitgewerkt aan de hand van onderstaand voorbeeld:
  • Een rotatiemodel met twee computerlokalen;
  • 540 leerlingen;
  • 45 iPads en 45 PC's;
  • Software licenties ($ 40 per leerling).
Bij deze school is het interessant om naar het personeel te kijken:
  • Traditionele school: ongeveer 22 - 24 leerkrachten;
  • Blended school: vijftien leerkrachten en zeven onderwijsassistenten voor de computerlokalen;
Deze blended school hanteert hetzelfde aantal volwassenen, maar met een andere verdeling, waardoor ze niet alleen in staat zijn om hun leerkrachten $ 10.000 extra te laten verdienen, maar daardoor nog steeds jaarlijks besparen op personele kosten. Bovendien kiest deze school voor dezelfde leerkracht-leerling ratio en hanteren ze nog steeds de traditionele schoolinrichting qua leslokalen. Zo komt er dus extra geld vrij voor mogelijke investeringen.



Conclusie
De tips die aangedragen worden lijken wellicht open deuren, maar het is volgens mij wel goed om hier (weer) bij stil te staan. Volgens mij is er in het onderwijs geen ontkomen aan om te blijven vernieuwen. Het is in mijn (korte) loopbaan in elk geval nog niet voorgekomen dat ik twee jaar achter elkaar hetzelfde deed. Soms waren dat kleine doorontwikkelingen, maar meestal toch wel ingrijpende curriculumvernieuwingen met een flinke implementatie-impact.

De punten die besproken zijn in de video's van deze week zijn voor mij heel herkenbaar. Ja, er is weerstand. Ja, er is draagvlak nodig. Ja, je hebt de juiste teamleden nodig. Ik heb er eigenlijk niet eerder zo systematisch bij stil gestaan hoe het implementatieproces verloopt. Eigenlijk vind ik het wel fijn dat het zo herkenbaar is!

Op het gebied van budgetten heb ik nagenoeg geen ervaring. Of het allemaal zo rooskleurig (en eenvoudig) is als wordt beweerd, betwijfel ik. Toch merk ik twee dingen: 1) technologie is goedkoper dan personeel en 2) technologie wordt steeds beter en kan veel taken overnemen van leerkrachten.

Het lijkt me interessant om volgende week meer de diepte in te gaan op specifieke educatieve software en of dit ook voor de Nederlandse markt al beschikbaar is. Anders ligt hier zeker een kans!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen