zaterdag 9 mei 2015

MOOC: Leerlingontwikkeling in kaart brengen

De derde week van de MOOC Assessment and Teaching of 21st Century Skills sluiten professoren Patrick Griffin en Esther Care af met het in kaart brengen van leerlingontwikkeling op het gebied van 21st century skills in het algemeen en collaborative problem solving (gezamenlijk problemen oplossen) in het bijzonder.


Kijken naar de toekomst
Door gebruik te maken van een observatieformulier om leerlingen te beoordelen en monitoren, denk je op een bepaalde manier na over hun bekwaamheid; het focust op de volgende vragen:
  • Wat weet of kan de leerling al?
  • Waar is de leerling nu waarschijnlijk als eerst aan toe om te leren?
  • Welke doelen kan de leerkracht bepalen voor de leerling?

Deze vragen bepalen heel erg de manier waarop je leerlingresultaten in kaart brengt. De nadruk ligt op kijken naar de toekomst (Waar gaat de leerling naar toe? Wat kan de leerling leren?) in plaats van terugkijken naar wat de leerling wel of niet behaald heeft.

Met behulp van observatiegegevens en het ontwikkelingsschema is het mogelijk om gerichte instructiestrategieën te plannen zodat leerlingen geholpen worden naar een hoger niveau door te groeien. Een toetsrapport helpt niet alleen leerkrachten bij het plannen van hun instructie en het organiseren van hun klas, maar het geeft leerlingen ook zicht op waar ze zich bevinden in hun ontwikkeling. 

Als een leerling bijvoorbeeld op sociale vaardigheden binnen collaborative problem solving (CPS) op niveau 3 functioneert, en voor cognitieve vaardigheden binnen CPS op niveau 1, dan kan de leerkracht gerichte activiteiten of interventies plegen om de leerling verder te helpen of meer in balans te brengen.
Een andere mogelijkheid is dat sterkere leerlingen worden gekoppeld aan zwakkere leerlingen om hen te begeleiden. 



Zuiver beoordelen
Om complexe vaardigheden, zoals CPS, te beoordelen zijn brede opdrachten nodig die een beroep doen op meerdere deelvaardigheden. Het liefst zijn dit opdrachten binnen een betekenisvolle, realistische context, maar tegelijkertijd moet het ook mogelijk zijn om zuiver te beoordelen.

In het echte leven wordt een groep mensen vaak geconfronteerd met een probleem waarvoor ze moeten samenwerken en overleggen om het op te lossen. Dit soort problemen zijn vaak vaag of onduidelijk geformuleerd. 

Echter, bij toetsing heeft het enkele voordelen om duidelijk omschreven problemen te hanteren:
  • Het maakt het makkelijker om tussen verschillende opdrachten onderscheid te maken qua complexiteit;
  • Je kunt goed verschillende deelnemers met elkaar vergelijken;
  • Zelf de veranderlijkheid tussen deelvaardigheden van één leerling zijn beter te onderscheiden;
  • Het maakt het onderwijzen makkelijker, omdat de problemen al in kleine deelstappen zijn opgeknipt en geven leerlingen bewust de ruimte om te reflecteren.

Leer-bereidheid-rapport
Met behulp van de beoordelingstaken (zie vorige blogpost over case studies) is het mogelijk om een speciaal soort rapport te generen. Griffin en Care noemen dit een leer-bereidheid-rapport. Hierop kan per deelvaardigheid een schaal worden aangegeven dat oploopt van het laagste niveau naar het hoogste niveau. Op deze schaal kan de bekwaamheid van de leerling worden gemarkeerd, zodat direct te zien is waar deze leerling aan toe is om te leren.

Zo'n overzicht (zie hieronder) kan de leerling helpen om te bepalen hoe hij zich verder kan ontwikkelen. Het overzicht kan ook leerkrachten helpen bij het bepalen van vervolgactiviteiten. Het is belangrijk om te benadrukken dat het ingeschatte ontwikkelingsniveau van de leerling niet een bepaalde prestatie is: het is een formatief toetsrapport. Deze manier van rapporteren en inzichtelijk maken van de leerlingontwikkeling sluit naadloos aan bij Vygotsky's zone van de naaste ontwikkeling (zie eerdere blogpost).



Leerlingprofiel
Een andere manier van rapporteren is het leerlingprofiel. Deze vorm brengt het individuele leerlingniveau en -ontwikkeling over meerdere domeinen in kaart, bijvoorbeeld zowel de sociale als cognitieve vaardigheden binnen CPS. Het kan zelfs gedetailleerd alle deelvaardigheden binnen CPS weergeven, namelijk:
  • Deelname (participation);
  • Perspectief innemen (perspective taking);
  • Sociale regulatie (social regulation);
  • Taakregulatie (task regulation);
  • Kennis vergaren (knowledge building).

Hieronder staat een voorbeeld van een leerlingprofiel waarin onderscheid wordt gemaakt tussen de sociale en cognitieve vaardigheden (door op de afbeelding te klikken, vergroot deze). Zoals te zien is, zijn niet beide vaardigheden even ver ontwikkeld, maar komt ook nauwelijks binnen één persoon voor. Bovenaan de dikke zwarte streep staat het meest recente meetmoment. Het niveau kan bepaald worden door één of meerdere meetmomenten. Bij meerder meetmomenten worden deze in kleur toegevoegd aan de grafiek zodat ontwikkeling is te zien.

Onderaan het rapport staat de algemene omschrijving van het niveau waarop de leerling zich momenteel bevindt.



Leerlingen en leerkrachten kunnen zelfstandig of gezamenlijk doelen opstellen om aan te werken. Er is een aantal belangrijke vragen bij het bepalen van het leerrendement:
  • Wat weet en kan de leerling al? 
  • Wat doet de leerling goed en met zelfvertrouwen?
  • Wat zegt het leerlingprofiel over specifieke sterktes en zwaktes van de leerling?
  • Wat staat de leerling op het punt te leren?
  • Waartoe zou de leerling in staat zijn door middel van scaffolding, modelling, of de begeleiding van een sterkere medeleerling?
  • Hoe kan andere informatie over de leerling, zoals voorbeeldwerk of gedrag in de klas, gebruikt worden om zicht te krijgen op zijn kennis en vaardigheden?
  • Wat voor (leer)prikkels heeft deze leerling nodig om uitgedaagd te worden?
  • Welke instructies of ervaringen zijn het meest zinvol om deze leerling verder te helpen?
  • Welke leerlingen in de klas zitten op een vergelijkbaar niveau?

Griffin en Care geven nu geen antwoord op deze vragen, maar volgende week geven daadwerkelijke leerkrachten concrete voorbeelden van hoe zij dit aanpakken. Wanneer leerlingen op een goede manier reageren op het onderwijs, is het goed om bewust te zijn van het nieuwe gewenste gedrag dat je zou willen zien.


Klassenrapport
Vaak is het mogelijk om een zelfde soort interventie of instructie te geven aan een groep leerlingen die zich op hetzelfde niveau bevinden. In één klas kunnen vaak meerdere groepen onderscheiden worden, soms wel op vijf verschillende niveaus. Het klassenrapport helpt bij het visueel maken van alle leerlingen in de klas.

Hieronder staat een voorbeeld van een vereenvoudigd klassenrapport met daarin tien leerlingen.



Met behulp van het klassenrapport is het behoorlijk eenvoudig om verschillende groepen leerlingen te clusteren die ongeveer op hetzelfde niveau functioneren, zoals hierboven de drie kleuren duidelijk maken. Het helpt leerkracht om aan kleine groepen leerlingen instructie op maat te geven. Daarnaast geeft het handvatten om sterkere leerlingen te koppelen aan zwakkere leerlingen voor begeleiding.

Belangrijke vragen bij het werken met een klassenrapport zijn:
  • Hoe veel leerlingen zitten er in ieder niveau?
  • Hoe kan ik deze informatie gebruiken om mijn instructie aan te passen naar het juiste niveau van elke groep leerlingen?
  • Hebben alle leerlingen binnen dezelfde groep dezelfde ontwikkeling doorgemaakt tussen meetmomenten?
  • Zo niet, waarom was de onderwijsmethode meer geschikt voor sommige leerlingen?
  • Wat kan er verbeterd worden zodat alle leerlingen baat hebben bij de instructie?


Conclusie
De beoordelingstaken van ATC21S (zie de case studies van mijn vorige blogpost) scoren leerlingen automatisch op alle deelvaardigheden, zodat bovenstaande rapporten vanzelf gegeneerd worden. Dit noemen Griffin en Care de toekomst van beoordelen: het is webbased, interactief, informatief, geeft directe feedback en interventiegericht. 

Ik denk dat bovenstaande rapporten de meeste leerkrachten bekend voorkomen, evenals het idee om te differentiëren op niveau. In Nederland zijn we, blijkbaar, hier al best vergevorderd mee. Bovenstaande rapporten kunnen eenvoudig in leerlingvolgsystemen zoals LOVS van CITO of Parnassys gegenereerd worden. Toch is het interessant om te zien hoe dit werkt bij meetmomenten die niet toetsgeoriënteerd zijn, maar observatiegeoriënteerd.

Daarbij zijn leerlingvolgsystemen altijd afhankelijk van de input van de leerkracht. Wanneer Griffin en Care dus stellen dat hun beoordelingstaken automatisch de leerlingen scoren ben ik enerzijds heel benieuwd naar dit systeem, maar anderzijds ook wel enigszins sceptisch over de betrouwbaarheid ervan. Immers, een computer analyseert dus de chatlog van de leerlingen en maakt op basis daarvan een niveaubepaling. Is de kunstmatige intelligentie al zo ver gevorderd dat dit zo goed werkt?



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen