donderdag 14 mei 2015

MOOC: Verschillen op individueel en groepsniveau

De vierde week van de MOOC Assessment and Teaching of 21st Century Skills besteden professoren Patrick Griffin en Esther Care aandacht aan het onderwijzen van collaborative problem solving (gezamenlijk problemen oplossen) als 21st century skill.

Intra-individuele verschillen
Het is algemeen bekend dat iedereen anders is. Sommige kunnen goed voetballen, anderen kunnen aardig schrijven, sommigen hebben moeite met het huishouden en anderen zijn belabberd in werkwoordspelling... 

Niet iedereen kan even goed tekenen...

In het onderwijs is het belangrijk om de meest relevante verschillen te identificeren om passende interventies te plegen in de zone van de naaste ontwikkeling. Het is (relatief) gemakkelijk om verschillen tussen leerlingen te benoemen, maar het is minstens net zo belangrijk om verschillen in één leerling zelf te bekijken. Iedereen weet dat hij in sommige dingen goed is, maar in andere niet.

Zelf binnen één specifiek gebied zullen deze intra-individuele verschillen aanwezig zijn. Zo kun je misschien communicatief erg sterk zijn op mondeling gebied, maar schriftelijk zwak overkomen.

Deze intra-individuele verschillen kunnen op elk niveau voorkomen. Hieronder staat schematisch de 21st century skill collaborative problem solving uitgewerkt in alle deelvaardigheden. Deze zijn de afgelopen weken uitvoerig behandeld en toegelicht. Binnen elk van de onderdelen van dit schema kunnen dus intra-individuele verschillen voorkomen. Dat is heel normaal.

Klik voor een vergroting op de afbeelding!

Een mooie vergelijking is te maken met atletiek. Zo kun je erg goed zijn in rennen, maar niet in discus werpen. Of nog specifieker: wel een goede renner, maar geen goede hordeloper. Er zijn wel veel overeenkomsten tussen rennen en hordelopen, maar ook belangrijke verschillen!


Differentiëren in de klas
Het is beslist niet eenvoudig om in een klaslokaal met al deze verschillen rekening te houden. Hoe kun je als leerkracht nu opdrachten formuleren die voor elke leerling relevant zijn? Hieronder staat een matrix waarbij elk kruisje een leerling representeert. Deze geven het niveau voor zowel sociale als cognitieve vaardigheden weer. De meeste leerlingen bevinden zich zo'n beetje voor beide domeinen op niveau 2 of 3.



Casus: analyseer een film
Om dit concreet toe te lichten geven Griffin en Care een casus van een complexe opdracht die geschikt zou kunnen zijn voor leerlingen op niveau 3. De opdracht is om een iconische film te analyseren (bijvoorbeeld Casablanca) in de context van de tijdsperiode en de muziekstijl die ervoor gecomponeerd is. Het probleem dat opgelost moet worden, is de vraag of iconische films automatisch een statement maken over hun tijdsperiode en als dat zo is, zou het dan mogelijk zijn om een film zo te manipuleren om de huidige tijd en maatschappij te beïnvloeden?

Voor deze opdracht moeten de deelnemers de zeven stappen van collaborative problem solving doorlopen (zie ook vorige blogpost hierover):
  1. Gezamenlijk het probleem in kaart brengen;
  2. Een representatie van het probleem delen;
  3. Een plan van aanpak overeenkomen;
  4. Het probleem analyseren;
  5. Concreet formuleren van plannen;
  6. Monitoren van de voortgang;
  7. De oplossing(en) controleren.
Dit probleem is voorgelegd aan een groep studenten vanuit verschillende studierichtingen, namelijk Kunst, Film, Geschiedenis en Muziek. Het is een mooie opdracht om collaborative problem solving uit te lokken, aangezien het een groot gebied beslaat, meerdere invalshoeken nodig zijn, communicatie en uitwisseling noodzakelijk is, etc.

Hoe zou deze opdracht gedifferentieerd aangeboden kunnen worden voor studenten met verschillende niveaus in collaborative problem solving?

Er zijn vier mogelijke combinaties bij de studenten:
  • Lage sociale vaardigheden, hoge cognitieve vaardigheden;
  • Lage sociale vaardigheden, lage cognitieve vaardigheden;
  • Hoge sociale vaardigheden, lage cognitieve vaardigheden;
  • Hoge sociale vaardigheden, hoge cognitieve vaardigheden.

Studenten met lage cognitieve vaardigheden hebben baat bij meer concrete sturing, bijvoorbeeld door al een specifieke film in de opdracht op te nemen.
Studenten met lage sociale vaardigheden hebben waarschijnlijk baat bij concrete vragen die ze de andere deelnemers kunnen stellen, bijvoorbeeld over de specifieke relevante kennis die iemand anders heeft.

Het is noodzakelijk voor leerkrachten om dergelijke opstapjes achter de hand te houden om iedereen op het juiste niveau verder te stimuleren.


Conclusie
Voor mij is het idee achter differentiatie zeker niet nieuw en het komt ook zeker niet als een schok dat er ook intra-individuele verschillen zijn. Sterker nog, volgens mij is iedereen zich daar van bewust!

Ik vind het wel aardig om te zien hoe Griffin en Care dit uitdenken voor een zeer complexe opdracht (de filmanalyse). Ik moet mezelf blijven herinneren dat de focus ligt op het proces van samenwerken, niet op de uiteindelijke oplossing van het probleem.

Toch is het erg jammer dat bij de concrete differentiatiemogelijkheden van deze opdracht, ze alleen voorbeelden geven van opstapjes voor studenten met een lage vaardigheid, ofwel sociaal ofwel cognitief. Wat zouden goede opstapjes zijn voor studenten met een hoge vaardigheid?


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen